Hoe ontstaan cognitieve klachten?

Cognitieve problemen kunnen meerdere oorzaken hebben. Welke oorzaken dat zijn, kan per persoon verschillen.

De ziekte borstkanker

Allereerst de ziekte zelf. De aanwezigheid van tumorcellen in het lichaam kan ontstekingsreacties veroorzaken. Deze ontstekingsreacties kunnen mogelijk de werking van het brein beïnvloeden. Of dit ook daadwerkelijk het geval is, is nog onduidelijk. Sommige studies laten wel zien dat kankerpatiënten voorafgaand aan hun behandeling al gemiddeld wat slechter scoren op neuropsychologische tests. Ook melden ze al cognitieve problemen voordat ze enige behandeling hebben gekregen.

De impact van borstkanker

Een tweede oorzaak ligt in de grote impact die borstkanker op je leven heeft. De diagnose alleen al zorgt voor angst, stress en verdriet. De ziekte en de behandeling kunnen pijn en vermoeidheid veroorzaken. Van al deze factoren is bekend dat ze het cognitief functioneren negatief kunnen beïnvloeden. Problemen met het ‘denkwerk’ kunnen daardoor ontstaan.

De behandeling

Chemotherapie

Een andere oorzaak is de behandeling zelf, en dan vooral de chemotherapie. Studies tonen aan dat bij sommige patiënten chemotherapie het cognitief functioneren negatief kan beïnvloeden. Deze cognitieve veranderingen zijn soms tijdelijk en kunnen voor een bepaalde periode  cognitieve klachten veroorzaken (problemen met het ‘denkwerk’ en het uitvoeren daarvan). Het is echter ook mogelijk dat klachten langer aanhouden. De kleine veranderingen - in zowel de grijze als de witte stof - zijn soms ook op hersenscans zichtbaar. 

Hoe chemotherapie de werking van de hersenen beïnvloedt, kun je lezen in het artikel ‘‘Chemobrein’ zorgt voor verwarring’ dat verscheen in B, het tijdschrift van Borstkankervereniging Nederland (BVN).

Hormoontherapie
Sommige studies laten zien dat patiënten die hormoontherapie krijgen soms wat lager dan verwacht scoren op neuropsychologisch tests. Tegelijkertijd zijn er studies waarin deze afwijking niet naar voren komt. Kortom: over de precieze effecten van hormoontherapie op de hersenen, is nog veel onduidelijk. Of hormoontherapie überhaupt het cognitief functioneren kan beïnvloeden, is ook nog onbekend.

Meerdere ziekten tegelijkertijd

Ten slotte kan er ook sprake zijn van zogenoemde comorbiditeit, het tegelijk optreden van meerdere ziekten. De cognitieve klachten hoeven dan niet (uitsluitend) het gevolg te zijn van (de behandeling van) borstkanker. De cognitieve klachten kunnen ook samenhangen met een andere ziekte of met ‘normale’ ouderdomsvergeetachtigheid.

Daarnaast zijn er verschillende factoren die het risico op cognitieve problemen vergroten. Dit zijn onder andere:

Wie krijgt last van cognitieve klachten?

Cognitieve klachten kunnen in alle fasen van de ziekte en behandeling ontstaan en voorkomen. Van vóór de diagnose borstkanker tot lang na afloop van de behandeling. De klachten komen echter het meest voor direct na de diagnose en tijdens de behandeling. Meestal gaan de klachten vanzelf over na verloop van tijd. Bij een klein deel van de patiënten houden de klachten langer aan.

Niet iedereen die een borstkankerbehandeling ondergaat, krijgt problemen met cognitieve functies (het ‘denkwerk’ en het uitvoeren daarvan). Een deel van borstkankerpatiënten krijgt hier mee te maken. Wie risico loopt om cognitieve klachten te ontwikkelen, is op dit moment nog erg onduidelijk. In ‘Wat zijn risicofactoren voor het krijgen van cognitieve problemen?’ lees je hier meer over.

Sanne Schagen, klinisch neuropsycholoog en onderzoeker bij het Antoni van Leeuwenhoek (AvL) in Amsterdam, onderzoekt al ruim tien jaar de gevolgen van chemotherapie op het brein bij mensen bij wie de kanker zich niet in het centraal zenuwstelsel bevindt. Met haar collega’s deed ze bijvoorbeeld onderzoek onder 196 ex-borstkankerpatiënten die gemiddeld 21 jaar geleden hun behandeling afsloten. De ex-borstkankerpatiënten presteerden iets minder goed op cognitieve testen dan vrouwen die nooit kanker hadden gehad. De cognitieve problemen waren ook zichtbaar op de hersenscans. Scans lieten kleine verschillen in zowel de grijze als de witte stof zien tussen de twee groepen. Ook rapporteerden de ex-borstkankerpatiënten wat vaker cognitieve klachten. Het is echter niet mogelijk om de behandeling als oorzaak aan te wijzen van de kleine verschillen tussen de groepen. Bij deze studie heeft namelijk geen meting plaatsgevonden voorafgaand aan de behandeling. Deze studie onderstreept wel het belang van onderzoek waarbij patiënten zowel voor de behandeling als lang na de behandeling worden gevolgd. Op die manier kan het optreden van behandelingsgerelateerde klachten (late gevolgen) in kaart worden gebracht.